The international sustainability debate

De internationale duurzaamheidsdiscussie: van Brundtland tot deregulering

De internationale duurzaamheidsdiscussie is in vier decennia verschoven van definitie naar uitvoering, en vervolgens naar lastendruk. Eerst ging het over de vraag wat duurzame ontwikkeling is. Daarna over doelen en verdragen. Nu gaat het vooral over de vraag hoeveel regels Europa zich kan veroorloven zonder zijn concurrentiepositie te verliezen. Voor ondernemingen is dat geen abstracte discussie. Zij bepaalt welke verplichtingen blijven, welke vervallen, en welke normen via rechtspraak alsnog bindend worden.

Het korte antwoord

  • Het begrip duurzame ontwikkeling komt uit het Brundtland-rapport uit 1987.
  • De conferentie van Rio in 1992 leverde twee verdragen op: het klimaatverdrag en het biodiversiteitsverdrag.
  • In 2015 volgden de Duurzame Ontwikkelingsdoelen en de Overeenkomst van Parijs.
  • Sinds 2024 domineert de vraag naar vereenvoudiging. Het Omnibus I-pakket trad in maart 2026 in werking.
  • Soft law is niet afdwingbaar, maar kleurt wel open normen in wet en contract. Onderschat het niet.

Van Brundtland naar Rio

In 1987 publiceerde de Wereldcommissie voor Milieu en Ontwikkeling het rapport Our Common Future, genoemd naar voorzitter Gro Harlem Brundtland. Daarin werd duurzame ontwikkeling omschreven als ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties aan te tasten.

Die formulering was geen rechtsregel. Zij gaf wel een gemeenschappelijke taal aan een debat dat daarvoor versnipperd was.

In 1992 volgde de conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling in Rio de Janeiro. Daar werden het Raamverdrag inzake klimaatverandering en het Verdrag inzake biologische diversiteit opengesteld voor ondertekening. Beide zijn bindend recht. Daarnaast werden de Verklaring van Rio en Agenda 21 aangenomen; die zijn dat niet.

Dat onderscheid is tot op vandaag het belangrijkste onderscheid in dit rechtsgebied.

2015: doelen en een verdrag

In september 2015 namen de lidstaten van de Verenigde Naties de Agenda 2030 aan, met zeventien Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Die doelen richten zich op staten en zijn niet in rechte afdwingbaar. Zij zijn wel bepalend geworden voor de manier waarop ondernemingen hun beleid inrichten en rapporteren.

In december 2015 volgde de Overeenkomst van Parijs. Die is wel een verdrag. Zij verplicht partijen tot het opstellen en actualiseren van nationaal bepaalde bijdragen en tot rapportage. Het temperatuurdoel is geformuleerd als collectieve doelstelling, niet als individuele resultaatsverplichting per staat.

Juist die constructie maakt de Overeenkomst juridisch interessant. Zij bindt procedureel streng en inhoudelijk los. Over de doorwerking daarvan leest u meer bij het internationale klimaatraamwerk.

De omslag naar vereenvoudiging

Tussen 2019 en 2023 zette de Europese Unie met de Green Deal een ongekende reeks regels in gang. Rapportage, ketenzorgvuldigheid, taxonomie, productregels en emissiehandel volgden elkaar snel op.

In september 2024 verscheen het rapport van Mario Draghi over het Europese concurrentievermogen. De kern van de kritiek was dat regeldruk, versnippering en trage besluitvorming de Unie achterop brengen. Dat rapport werd het referentiepunt voor een nieuwe koers.

Die koers kreeg vorm in het Omnibus I-pakket. Na onderhandelingen tussen Parlement en Raad werd de richtlijn eind februari 2026 gepubliceerd en trad zij in maart 2026 in werking. De rapportageverplichting onder de CSRD geldt sindsdien voor een aanzienlijk kleinere groep ondernemingen. De toepassingsdrempel ligt op gemiddeld meer dan duizend werknemers in combinatie met een netto-omzet boven 450 miljoen euro. Ook de taxonomierapportage is verlicht.

Voor de praktijk betekent dit een tweedeling. Een kleinere groep rapporteert verplicht. Een veel grotere groep krijgt de vragen alsnog, via klanten, banken en opdrachtgevers. Zie CSRD en ESG-rapportage.

Deregulering betekent niet rechteloosheid

Het is verleidelijk vereenvoudiging te lezen als versoepeling over de hele linie. Dat klopt niet. Op drie terreinen gaat de norm juist omhoog.

Ten eerste het consumentenrecht. Vanaf 27 september 2026 gelden strengere regels tegen misleidende duurzaamheidsclaims op grond van richtlijn (EU) 2024/825. Algemene claims zonder onderbouwing zijn dan in beginsel verboden, evenals claims over klimaatneutraliteit die uitsluitend op compensatie berusten. Zie greenwashing en duurzaamheidsclaims en consumentenrecht.

Ten tweede het natuurrecht. De Europese natuurherstelverordening uit 2024 legt lidstaten actieve herstelverplichtingen op. Zie biodiversiteit.

Ten derde de rechtspraak. Rechters vullen open normen in met behulp van internationale afspraken, ook als die zelf niet bindend zijn.

De juridische betekenis van soft law

Soft law omvat verklaringen, richtsnoeren, actieplannen en gedragscodes zonder rechtstreekse bindende kracht. Denk aan de SDG’s, aan de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en aan de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten.

Toch heeft soft law juridische werking, langs vier lijnen.

  1. Invulling van open normen. Begrippen als maatschappelijke zorgvuldigheid en goed bestuur worden mede ingekleurd door breed aanvaarde standaarden.
  2. Uitleg van verdragen. Rechters gebruiken niet-bindende teksten bij de uitleg van wel bindende bepalingen.
  3. Contractuele binding. Zodra u naar een standaard verwijst in een overeenkomst, wordt die standaard afdwingbaar tussen partijen.
  4. Claimrisico. Een publieke belofte gebaseerd op soft law kan een duurzaamheidsclaim zijn. Onjuistheid daarvan is een oneerlijke handelspraktijk.

Een duidelijk voorbeeld is het advies van het Internationaal Gerechtshof van 23 juli 2025 over de verplichtingen van staten inzake klimaatverandering. Dat advies is niet bindend. Het bevestigt wel dat staten verplicht zijn ernstige schade aan het milieu te voorkomen, en het wordt sindsdien aangehaald in procedures wereldwijd.

Ook in Nederland is die doorwerking zichtbaar. Op 12 november 2024 oordeelde het gerechtshof Den Haag over de klimaatzaak tegen Shell. Een onderneming heeft een zorgplicht om haar CO2-uitstoot te verminderen. De gevorderde reductie van 45 procent wees het hof af, omdat een percentage per onderneming onvoldoende was te onderbouwen. De zaak ligt inmiddels bij de Hoge Raad. Zie klimaatrechtspraak.

Wat dit voor uw onderneming betekent

OntwikkelingGevolg voor u
Kleinere reikwijdte CSRDMinder eigen rapportage, meer vragen uit de keten
Strengere claimregels vanaf 27 september 2026Onderbouwing van elke uiting vooraf vastleggen
Toenemend belang van soft lawWees terughoudend met verwijzingen die u niet waarmaakt
Meer proceduresDocumenteer besluitvorming en onderbouwing

Veelgestelde vragen

Zijn de SDG’s juridisch bindend?
Nee. Het zijn politieke doelen voor staten. Zij kunnen wel bindend worden zodra u ernaar verwijst in een contract of een publieke claim.

Vervalt mijn duurzaamheidsrapportage door Omnibus I?
Mogelijk wel als wettelijke plicht. Uw afnemers en financiers kunnen dezelfde gegevens echter contractueel blijven vragen.

Wat weegt zwaarder: een verdrag of Europese regelgeving?
In de dagelijkse praktijk het Europese recht. Dat werkt rechtstreeks of via nationale wetgeving en is direct afdwingbaar.

Wilt u weten welke verplichtingen na Omnibus I nog op uw onderneming rusten? Neem contact op met Law & More. Wij brengen uw positie in kaart en vertalen die naar beleid en contracten.

Wilt u weten wat Law & More als advocatenkantoor voor u kan betekenen?
Neem dan telefonisch contact op via +31 40 369 06 80 of ga naar de contact pagina voor meer informatie:

Duurzaamheidsrecht